In een eerder artikel is de nieuwe faciliteit “coronareserve” beschreven en in een later artikel is erop gewezen dat het niet nodig is heel voorzichtig te zijn met het benutten van die reserve. Dat is inmiddels bevestigd in antwoorden op kamervragen door staatssecretaris Vijlbrief.

Uit die antwoorden komt naar voren dat indien achteraf blijkt dat de coronareserve te hoog is ingeschat, correctie niet in de vennootschapsbelasting 2019 maar 2020 plaatsvindt. Daardoor hoeft belastingrente geen reden te zijn te wachten met de coronareserve, want belastingrente over het belastingjaar 2020 gaat pas lopen op 1 juli 2021. Voor die tijd is er dus voldoende gelegenheid de (voorlopige) aanslag 2020 te laten verhogen om belastingrente te voorkomen.

Verder heeft de staatssecretaris bevestigd dat de normale bewijslast geldt voor de coronareserve. Het is voldoende dat de belastingplichtige een zo goed mogelijke inschatting maakt van het verlies dat hij in 2020 verwacht te lijden én in hoeverre dat verlies gerelateerd is aan de coronacrisis. Daarbij zijn de feiten en omstandigheden zoals bekend ten tijde van het indienen van de aangifte vennootschapsbelasting 2019 bepalend.

De Belastingdienst hoeft geen bewijzen te ontvangen bij de aangifte 2019 of een teruggaafverzoek van de voorlopige aanslag 2019. Achteraf kan de Belastingdienst wel een toelichting vragen. Dan is dus voldoende dat de belastingplichtige inzichtelijk kan maken op basis van welke feiten en omstandigheden hij de schatting heeft gemaakt.

Gezien deze woorden van de staatssecretaris blijft dus de conclusie dat wie snel een lagere aanslag vennootschapsbelasting 2019 wil hebben, niet hoeft te wachten en kan volstaan met het aan ons doorgeven van een redelijk onderbouwde schatting van het coronagerelateerde verlies 2020. Dan kunnen wij de gewenste en onderbouwde coronareserve verwerken in de aangifte 2019 of in een verzoek tot vermindering van een voorlopige aanslag 2019.

23 juni 2020
Geplaatst in: Nieuws