Kort na Prinsjesdag en na het artikel over box 3 in de vorige eSigt is het kabinet toch nog met een keuze voor de toekomstige box 3 gekomen. De bekostiging daarvan gaf meteen echter flinke discussie en leidde tot halvering van de VVD in de peilingen. Hoe gaat het nu verder? In dit artikel zetten we de stand van zaken en de verwachte wijzigingen op een rij.
Box 3 systeem tot en met 2027 ongewijzigd
In 2027 blijft het huidige stelsel nog gelden. Op de gebruikelijke wijze worden de forfaitaire percentages voor rendementen uit spaargeld, overige bezittingen en schulden vastgesteld. Wie in werkelijkheid in 2027 lagere rendementen behaalt, mag dat lagere rendement aangeven. Bij de berekening van dat werkelijke rendement zijn echter enkele nadelen aan de orde: er geldt daarbij geen heffingsvrij vermogen en ook waardestijgingen tellen mee in de berekening. Bovendien is geen kostenaftrek mogelijk. Dat laatste is vooral nadelig voor vastgoedbeleggers die veel meer kosten hebben dan aandelenbeleggers.
Sinds 2001 gold vele jaren een forfait van 4% tegen een tarief van 30%. De laatste jaren is vanwege de werkelijke rente het forfait voor banktegoeden ongeveer gelijk aan de tarieven voor spaarrente bij grote banken. Voor overige bezittingen is het forfait sinds enkele jaren een stuk hoger, in 2026 is dat 6% en in 2027 gaat dat naar 6,37%. Het tarief is sinds 2024 ook een stuk hoger: 36%. Het huidige stelsel is vooral gunstig voor veel beleggers die een veel hoger rendement dan 6% per jaar halen. Over dat hogere deel van het jaarrendement betalen zij geen box 3-heffing.
Box 3 heffing in 2027 toch iets gewijzigd
Het stelsel wordt nog niet in 2027 gewijzigd, maar toch stelde het Kabinet kort na Prinsjesdag in een kamerbrief van eind september enkele belangrijke wijzigingen voor. Met name het voorstel tot ongeveer halvering van het aanvankelijk beoogde heffingsvrije vermogen van € 60.098 per persoon stuitte op veel kritiek omdat dan bijna 900.000 meer box 3-betalers zouden ontstaan. Dat plan ging daarom binnen enkele dagen van tafel.
Uiterlijk op 2 november wordt een zogenaamde Novelle over box 3 ingediend die tegelijk met het Belastingplan 2027 behandeld zal worden. Dan moet blijken of het heffingsvrije vermogen toch nog iets omlaag zal gaan. Verder bevatte de bekritiseerde brief van eind september diverse plannen waarvan begin november zal blijken of die wel doorgaan. Vooral de volgende plannen maken een goede kans van slagen:
Verhoging van het box 3 forfait voor overig vermogen met 1,5%- punt (naar 7,87% per 1-1-2027).
Verlagen van de grens voor excessief lenen in box 2 vanaf 2027 met 5 jaarlijkse stappen van € 80.000 naar € 100.000 in 2031.
Stimuleren dividenduitkeringen dga’s door tijdelijke verlaging van de hoogste schijf in box 2 van 31% naar 29,2% in 2027 t/m 2030.
Deze voorgestelde verlaging is echter veel te weinig en voor de meeste dga's niet aantrekkelijk genoeg, dus waarschijnlijk wordt dit hoogste tarief nog lager.
Box 3 vanaf 2028 vermogenswinstbelasting
In een brief rond Prinsjesdag noemden de Minister en de Staassecretaris van Financiën vier mogelijke routes om de box 3-heffing beter te laten aansluiten bij het werkelijke rendement. In de kabinetsbrief van eind september is alsnog een keuze gemaakt voor de snelle route. Al per 2028 gaat voor de meest bekende financiële instrumenten (aandelen, obligaties etc.) een vermogenswinstbelasting gelden en vanaf 2030 ook voor het overige vermogen.
Deze vermogenswinstbelasting houdt in dat jaarlijks alleen over werkelijk behaalde rendementen belasting geheven wordt (rente, dividend, huur etc.). Waardestijgingen van bijvoorbeeld vastgoed en aandelen worden pas belast als ze gerealiseerd worden in het jaar van verkoop of overlijden.
Momenteel is geen heffing van inkomstenbelasting aan de orde voor particuliere beleggers die bijvoorbeeld aandelen of een (Nederlandse) vakantiewoning verkopen. Dat wordt vanaf 2028 dus anders. Vooral wie jaarlijks gemiddeld (inclusief de toekomstige verkoopwinst) een veel hoger rendement dan 6% behaalt, zal vanaf 2028 slechter af zijn dan onder het huidige stelsel. Veel beleggers zullen kiezen voor vermogensgroei in plaats van jaarlijkse vermogensinkomsten en minder snel tot verkoop overgaan om zo de belastingheffing naar de toekomst uit te stellen. De aangifte inkomstenbelasting zal voor veel beleggers veel ingewikkelder worden dan nu.
Internationaal te hoog tarief
Bij de keuze voor een vermogenswinstbelasting is vooral gewezen op het feit dat dit internationaal een gebruikelijk belasting is. Er zijn echter forse verschillen met andere Westerse landen. Het tarief van 36% in Nederland is veel hoger dan in de meeste andere Westerse landen. Bovendien wordt in diverse landen niet geheven over vermogenswinsten bij verkoop of overlijden indien de aandelen of onroerende zaken al een bepaald aantal jaren in bezit zijn. De verwachting is daarom dat veel vermogende particulieren gaan bekijken of emigratie gunstig is indien het Nederlandse tarief zo hoog blijft. Wellicht wordt het tarief in Nederland eerder hoger dan lager vanwege de door de Staat benodigde belastingopbrengsten en vanwege de wens om inkomen uit vermogen niet gunstiger te belasten dan inkomen uit arbeid.
Dit jaar valt er tot nu toe vrijwel maandelijks belangrijk nieuws over box 3 te melden. Dat zal de komende maanden nog niet anders worden. De komende weken gaat blijken welke plannen tot daadwerkelijke wetswijzigingen gaan leiden en hoe de wijzigingen er precies uit gaan zien.
Voor vragen over de gevolgen in jouw persoonlijke situatie kun je terecht bij jouw belastingadviseur van Lansigt.